Geliefde gemeente,
Als u van hier richting Lemmer rijdt, moet u door een stijle bocht. Daar geldt een snelheidsbeperking: slechts zeventig kilometer per uur. Als extra stimulans om je aan die snelheid te houden staat er een tweede bord. Dat licht op bij een hogere snelheid: ‘U rijdt te snel.’ Maar het bord flikkert op bij bijna elke passerende auto. Zo weinig mensen houden zich aan de snelheidsbeperking. De beide borden lijken er wel helemaal voor niets te staan.
Het zesde gebod lijkt wel een beetje op een verkeersbord. De regel die de HERE met dit gebod instelt, is duidelijk: Gij zult niet doodslaan. Met andere woorden: je zult niemand, buiten het recht om, doden. Maar de auto’s sjezen ongehinderd aan dit bord voorbij. Talloos zijn de onschuldige slachtoffers in oorlogen. Eindeloos is de rij doden door terroristische aanslagen. Schier niet te tellen is het aantal dodelijke ongelukken in het verkeer. We kunnen de slachtoffers van familiedrama’s bijna niet meer noemen. Dit zesde gebod is in deze wereld bijna even nutteloos als dat oplichtende bord op de A6. Zouden we het bij de bespreking van de Catechismus daarom niet beter kunnen overslaan? De wereld verandert toch niet vab het zesde gebod, laat staan van een preek daarover! Toch heeft de HERE dit gebod laten optekenen. In een wereld die ook al gewelddadig was. Gelukkig maar! Dat zesde gebod geeft er blijk van dat de HERE Zich met een wereld vol dodelijk geweld wil blijven bemoeien! Was dit gebod er niet geweest, dan was het geweest aslof de HERE had gezegd: ‘Laat die wereld vol dood en verderf ook maar!’ Nu blijkt Hij juist voor zo’n wereld een woord te hebben! Daarom wordt het tijd dat zesde gebod te overdenken. We doen dat onder de kop:
Gij zult niet doodslaan.
Dit gebod wijst ons
1: de Rechter 2: de Redder 3: de richting
Gij zult niet doodslaan. Dit gebod wijst ons 1: de Rechter.
De meeste geboden kunnen we vrij eenvoudig op onszelf betrekken. Geen andere goden: we maken allemaal wel eens iets of iemand tot afgod in ons leven. Gods naam zinloos gebruiken: vloeken is wijdverbreid. Je vader en moeder en andere gezagdsdragers eren: wie houdt zich altijd stipt aan de wet, aan snelheidsbeperkingen? Geen vals getuigenis spreken: is er hier iemand die nooit gelogen of geroddeld heeft?
Maar doodslag? Wie van ons is er nu schuldig aan doodslag? Dit gebod heeft u en mij toch zeker niets te zeggen? We kunnen hoofdschuddend en zelfs met afgrijzen de berichten over doodslag in de krant lezen. We denken: het zal je kind maar wezen die zoiets doet! Maar míjn kind is het niet die zich aan zoiets schuldig maakt. Laat staan ikzelf!
We kunnen het verbod op doodslag ook betrekken op euthanasie of abortus. Over die praktijken kunnen we fel verontwaardigd zijn. We kunnen er zelfs tegen demonstreren! En met instemming luisteren naar goed degelijke preken die tegen dit afgrijzelijke kwaad waarschuwen. Terwijl we denken: met die praktijken heb ik gelukkig niets te maken; welk gebod ik ook tegen me heb, het zesde in elk geval niet!
In de dagen van de Here Jezus was het niet anders. Toen dachten mensen ook al: dat zesde gebod? Over wie het ook gaat, niet over mij. De wetgeleerden hadden het zelfs zover gebracht, dat het zesde gebod praktisch nooit gold. Er was bijna geen moordenaar te vervolgen. Zo moest worden aangetoond dat de moodernaar vooraf gewaarschuwd was. Ook moest vaststaan dat de dood het directe gevolg van de daad was. Had de dader voor zijn daad bijvoorbeeld een slang of hond gebruikt dan ging hij vrijuit. De dood moest ook nog eens veroorzaakt zijn door een voorwerp dat voor doodslag geschikt was. Zo waren er nog meer regels bedacht. Regels, die maakten dat bijna niemand nog hoefde te denken: dat zesde gebod gaat over mij!
Dus mensen uit Jezus’ dagen en onze tijd zijn in één opzicht één. Ze denken in beide situaties dat ze met het zesde gebod niet van doen hebben.
Weet u wat van die denkwijze nu het gevaar is? Voor mensen van alle tijden? Ook voor u en mij? We zouden kunnen gaan denken dat het met u en mij nog wel meevalt. Dat wij van die slechte mensen nog niet zijn. Natuurlijk rijd ik wel eens door rood en ook vloeken we misschien zo nu en dan. Maar zo erg als al die doodslagers uit de krant of op tv ben ik gelukkig niet. Voor ik het weet, doe ik als die Farizeeër die bad: ‘O God, ik dank U, dat ik niet zó ben als de andere mensen, rovers, rechtvaardigen, echtbrekers, of ook als deze tollenaar’ (Lucas 18: 11). Dat wil zeggen dat ik, eer ik er erg in heb, doe alsof de HERE mij zo erg ook nog niet vindt. Voor ik het weet, zeg ik eigenlijk dat Hij mij wel aanvaarden moet. Dat mijn zaligheid op zijn minst een beetje afhangt van mijn niet eens zo slechte daden. Want een overtreder van het zesde gebod? Dat ben ik in elk geval niet! Ik bedoel dat u en ik zo graag aan zelfrechtvaardiging doen, dat het gevaar van geestelijke hoogmoed op de loer ligt.
De Here Jezus moet van een dergelijke geestelijke zelfverheffing niets hebben. Jazeker, dat zesde gebod gaat ook over jou en u en mij! In plaats van het zesde gebod te minimaliseren en buiten werking te stellen radicaliseert de Here het! De Here voert een onderzoek uit in naam van Zijn hemelse Vader, de Rechter bij uitstek. Het onderzoek legt elke overtreding van het zesde geboed bloot. Het stopt niet voor de deur van schone schijn van zogenaamde gehoorzaamheid aan het zesde gebod. Maar het ontmaskert ook die ene liefdeloze uitspraak als doodslag. Het vonnis dat de Here in Gods naam vertolkt, is vervolgens trefzeker: ‘Wie tot zijn broeder zegt: Leeghoofd, zal vervallen aan de Hoge Raad, en wie zegt: Dwaas, zal vervallen aan het hellevuur.’
Absurd, toch! Stelt u zich eens voor dat wat de Here hier zegt wettelijke praktijk zou worden! Geen rechtbank zou nog normaal kunnen functioneren! De gevangenissen zouden uitpuilen! Waarom blijft de Here Jezus niet wat realistischer? Hij komt met een dergelijke uitspraak buiten de werkelijkheid terecht!
Laten we nu maar eerlijk zijn: er is iets anders aan de hand dan absurditeit van Jezus’ kant. Namelijk dit: we houden ons het zesde gebod graag van het lijf! We proberen het vonnis van de Rechter te ontlopen. Maar Christus legt de doodslag in uw en mijn woorden bloot. En daarmee de doodslag in de gedachten achter die woorden: ik ben beter dan die ander, beter dan die ander die mij pijn heeft gedaan, aan wie ik daarom terecht een hekel heb, die ik daarom met recht en reden soms wel kan… En zo gaan onze gedachten van kwaad tot erger. Voor ik het weet is het welgemeende ‘Dwaas!’ van mijn lippen gerold. En waar harde woorden vallen, kunnen op zeker moment ook doden gaan vallen. De Here legt de vinger op de wortel van de doodslag, hart en woorden, voordat de wortel alles overwoekert! De Catechismus spreekt de Here feilloos na: niet alleen de daad, maar ook woord en gedachte daarachter. Luister maar: ‘God, verbiedende de doodslag, leert ons, dat Hij de wortel des doodslags, als nijd, haat, toorn en wraakgierigheid, haat en zulks alles voor een doodslag houdt.’ Aldus het vonnis van de Rechter.
Weet u het nog steeds zo zeker, dat u niets met doodslag te maken hebt? Christus wil in het doorgeven van het vonnis van Zijn Vader de hoogmoed van mijn en uw hart ontmaskeren. De dodelijke hoogmoed. Dat gebeurt, waar de Heilige Geest Zich aan dit vonnis paart en mijn of uw hart ervoor opent. Zo wil Hij mij en u op de knieën brengen. En de Rechter om genade leren smeken, waarnaar wij allen onderweg zijn.
Gij zult niet doodslaan. Dit gebod wijst ons 1: de Rechter, 2: de Redder.
Het is goed dat u en ik leren het zesde gebod op onszelf te betrekken. Tegelijk kan er een gevoel van beklemming optreden: help! Als zelfs een enkel ondoordacht woord ertoe doet… Dat gevoel van beklemming kan u en jou nog sterker bekruipen bij het verder lezen. De Here Jezus heeft het namelijk ook nog over een daadwerkelijke gang naar de rechter. En wel in het geval van een onverzoenlijk conflict. Er zijn wellicht al vele harde woorden gevallen. Om over de achterliggende gedachten nog maar te zwijgen! Weet u nog wat ik net zei over de wortel van de doodslag?! De Here zegt: haast je de doodslag achter je te laten, in werk én woord en gedachte! Verzoen je met die ander! Voor je het weet word jij schuldig verklaard en beland je voor altijd in het gevang! Het lijkt wel alsof u en jij met een dreigement tot verzoening in plaats van de doodslag worden aangezet. Daarmee komt een donkere, dreigende schaduw over dit gedeelte te hangen. Wellicht zouden we de Bijbel nu liever sluiten. Er wordt weer eens hel en verdoemenis gepreekt!
Maar ineens schiet me iets te binnen. Een herinnering aan een verhaal dat de Here Jezus bij een andere gelegenheid vertelt. Een verhaal waarin het ook gaat om een onaflosbare schuld en een gevangenis. Ook nu is er sprake van twee partijen die een onderling een probleem hebben. Een afbetalingsprobleem van de een naar de ander. En er is ook nu een derde. Geen rechter, maar een koning. Beiden zijn in dienst van hem. Een van hen heeft bovendien een ontbetaalbaar hoge schuld bij deze koning. De koning wil afrekening houden. De slaaf kan niet betalen. Hij dreigt gevangen gezet te worden. En dat voor altijd, net als in Mattheus 5. De slaaf smeekt om genade. De slaaf krijgt die genade ook. Een onbetaalbaar hoge schuld wordt hem zomaar kwijtgescholden door de koning.
Dat biedt hoop. Want naar die Rechter met een hoofdletter uit Mattheus 5 zijn we allen onderweg. En als de wortel van de doodslag zelfs in uw en mijn gedachten en woorden schuilgaat, kan u en mij slechts eeuwige gevangenisstraf wachten. Eeuwige verlorenheid. Maar stel nu eens dat die Rechter en die Koning uit Mattheus 18 Een en Dezelfde zijn! En dat is het geval! Dan is er nog een uitweg! Stel nu eens dat ik om genade smeek. Zou die Rechter, God, dan tot kwijtschelden bereid zijn? Jazeker!
Wat houdt dat dan in? Ziet deze Rechter de schuld dan door de vingers? Doet Hij alsof die niet bestaat? Integendeel! Alleen legt Hij de straf op de schouders van een Ander. Jezus Christus is Degene die de straf heeft gedragen voor de doodslag en de wortel daarvan. Voor wie? Voor elk die ondekt is aan zijn eigen doodslag en daarom de Rechter om genade heeft leren smeken. Voor elk die zover is gekomen, is deze Redder er! Ook voor u? Jou?
Maar waarom? Waarom gaat de Rechter, de HERE God Zelf, zover dat Hij Zijn eigen Zoon de straf laat dragen? Dat komt omdat Hij het leven liefheeft! En is dat nu zo vreemd? God is immers de Bron van het leven Die al wat leeft en ademhaalt het leven geeft! Het eerste hoofdstuk van de Bijbel vertelt al van Zijn vreugde om wat er leeft: ‘En God zag, dat het goed was.’ God houdt van het leven! Juist daarom geeft Hij het zesde gebod: om de wacht te betrekken bij het leven dat Hem zo lief is! Juist vanwege die liefde tot het leven stuurt de Vader Zijn Zoon in de wereld en laat Hem de straf vanwege de doodslag dragen. Opdat het menselijke leven, verdorven tot en met door de doodslag in haar wortel en uitvoering, niet verloren zou gaan. Opdat ú niet verloren zou gaan!
Wat een wonder! De zending van de Vader brengt Jezus, de Zoon, in de wereld. En uiteindelijk in de Hof van Olijven. Het arrestatieteam nadert. De Here Jezus ziet Zich geconfronteerd met de doodslag. Nu nog in haar wortel, hoor het gejoel maar! Maar straks ook in haar uitvoering. De Here had Zelf tot doodslag kunnen overgaan. Volkomen gelegitimeerde doodslag. Maar in plaats daarvoor twaalf legioenen engelen van Zijn Vader te hulp te roepen, laat Hij Zich binden als een offerlam. Hij ondergaat vrijwillig de doodslag. Voor een doodslager als…ík?? Komt u daarvan onder de indruk? Zo is Hij, Die Rechter in de hemel die ook Redder blijkt te zijn. Geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid: zo is Hij allereerst zelf. De woorden die antwoord 107 verbindt aan de houding van een christen zijn allereerst op de Vader van toepassing!
Hebt u daarvan iets begrepen voor uzelf? Uit pure genade? Dan leert u Gods verbod op de doodslag, ook in zijn wortel, bijvallen. Dat staat u dan op het hart gegrift. Dan leert u gewillig af te ‘haten, toornen en wraakgierig te zijn.’ Zulke gevoelens zijn misschien soms zeer goed te begrijpen. Maar als u de HERE als Redder hebt leren kennen mag u ook weten dat Hij de Rechter is. Hij heeft op Golgotha rechtgedaan. En zal eenmaal weer recht doen. Ook ten aanzien van het onrecht, u aangedaan!
Gij zult niet doodslaan. Dit gebod wijst ons 1: de Rechter, 2: de Redder, 3: de richting.
Er is wel eens opgemerkt dat Zondag 40 niet zo goed past in het derde deel van de Catechismus. Daarin gaat het immers over de dankbaarheid. Maar van dankbaarheid voor de verlossing lijkt in Zondag 40 weinig sprake. Zondag 40 gaat vooral om wat God verbiedt en gebiedt. Om verboden en regelgeving dus. En wat die twee nu precies met de dankbaarheid te maken hebben…
Alles natuurlijk. We hebben net immers gezien dat je de Rechter die je eigenlijk zou moeten veroordelen vanwege je doodslag, in Christus je Redder wil zijn. Door de straf op Hem te leggen. Wel, als je daar door genade iets van hebt leren kennen, dan word je blij. Maar vooral dankbaar. En dankbaarheid zet zich vervolgens om in concrete woorden en daden. Om díe dankbaarheid gaat het de Catechismus in deel drie. En dus ook in Zondag 40. Ben ik God, mijn Redder, dankbaar dan wil mijn naaste liefhebben als mezelf. Dan wil ik jegens hem of haar geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen. Dan wil ik hem of haar zoveel mogelijk vrijwaren van schade en zelfs mijn vijanden liefhebben. Alles, om mijn dankbaarheid maar te bewijzen!
Een hele opgave blijft het toch! Vooral als de Catechismus ook schrijft over het liefhebben van vijanden. Het lijkt wel alsof Zondag 40 het moeilijkste voor het slot heeft bewaard!
Als u en ik wat die vijandsliefde betreft ons onvermogen voelen, moeten we een stap terug doen. Een stap terug naar het kruis. Aan de voet daarvan vinden we namelijk een geschenk. Christus heeft dat geschenk verdiend door Zijn dood. Voor elk die in Hem gelooft is het er. Het is het geschenk van de levendmakende Geest. Die Geest Die mijn koude hart levend en warm maakt, zelfs voor de hardste vijand, is het die mij in staat stelt tot wat ik niet voor mogelijk hield.
Maar dan vervolgens ook echt aan de slag met die tweed helft van het Grote Gebod: uw naaste liefhebben als uzelf! Hoe? Waar en wanneer dan? Hoe voorkom ik dat deze preek tenslotte nog verzandt in algemeenheden?
Het is de Here Jezus Zelf Die daarvoor behoedt. In Mattheus 5: 21 – 26 heeft Hij het namelijk over de omgang van broeders – en zusters- met elkaar binnen de gemeente van God. Binnen die gemeente van God staat het altaar. Daar vindt de dienst van de verzoening plaats. Daarom wordt in die gemeente Gods van genade geleefd. Maar laat er dan in die gemeente ook uít die genade worden geleefd! Dat zou wat zijn: wel van de vergeving door verzoening en voldoening mogen leven, maar daar zelf niets van laten blijken in de omgang met je broeder! Je daarin laten leiden door wrok, haat, door…de wortel van de doodslag. Zeker is het erg, ja bijna heiligschennend om een offer af te breken. Maar dat is nog altijd beter dan deelnemen aan de dienst van de verzoening terwijl je weet dat een broeder nog iets tegen je heeft. Iets dat jij uit de weg kunt ruimen!
Zo zei de Here Jezus het toen. Zo geldt het nu nog steeds. In de gemeente staat de bediening van de verzoening centraal. Elke zondag klinkt vanaf de preekstoel: laat u met God verzoenen! Aan de tafel wordt gevierd: ik bén met God verzoend! Maar wat stelt mijn gang naar de tafel voor als ik weet dat een zuster of broeder iets tegen mij heeft, misschien wel terecht? Voordat ik het weet staat de wortel van de doodslag tussen hem en mij in. Maar dan staat die ook tussen mij en de HERE in. U, jij, ik: we kunnen niet op zondag de dienst van de verzoening vieren. Terwijl haat en wrok tussen u en die ander instaan, het beginsel van de doodslag. Dat moet uit de weg. Om vervangen te worden door liefde, geduld, vrede, zachtmoedigheid, al die andere dingen die Zondag 40 noemt. Onze geloofwaardigheid als gemeente hangt ervan af!
Moeilijk is dat, he: je naaste liefhebben als dat een broeder of zuster is die naast je in de kerkbank zit. Waarvan je zoveel weet of denkt te weten. Waarvan je zoveel hebt ondervonden. Wat kan het er werelds aan toe gaan in de gemeente! Mijn broeder kan soms mijn vijand zijn!
Mijn vijand liefhebben kan dus inhouden: mijn broeder of zuster in de kerkbank liefhebben. Moeilijk? Een wedervraag: wat maakt mij meer of beter dan mijn broeder of zuster? Samen zijn we op weg en reis naar dezelfde Rechter. Samen zijn we afhankelijk van dezelfde genade van die Rechter, Die toch ook Redder blijkt te zijn! Zo elkaar in de gemeente liefhebben laat de wereld zien dat de doodslag het laatste woord niet hoeft te hebben! Zo is er hoop voor de wereld!
Amen
|