home | stats | gelinkt door | beheer | maak je eigen weblog aan! | Wil je mijn visitekaartje? punt.nl

 

Welkom!
Genesis 7 en 8: 6-22 | 27 Augustus 2006 | 22:05:11
Welkom op mijn site! Ik ben ds. E.J. Terpstra . Op 23 april 2006 werd ik tot predikant bevestigd van de Gereformeerde Kerk te Drogeham (12 km ten noorden van Drachten). Op zondag 11 juli 2010 nam ik afscheid van Drogeham om op 22 augustus bevestigd te worden en intrede te doen op Urk als predikant van de gereformeerde kerk.
 
Op deze website plaats ik regelmatig preken die ik heb gemaakt. Ik zal een preek plaatsen wanneer ik die gehouden heb in alle drie kerkgebouwen van onze gemeente op Urk, of in bijzondere situaties. 
 
Met mijn preken wil ik duidelijk maken dat God er is Die het beste gaf dat Hij in huis had: Jezus Christus. Dat deed Hij om mensen als u en ik een nieuw leven met Hem te geven. Ik hoop dat die overtuiging doorklinkt in de hier geplaatste preken en u of jou zal aanspreken!
 
De preken zijn te vinden door in de linker kolom onder 'rubrieken' op de betreffende bijbelpassage te klikken. Voor gebruik in leesdiensten e.d. vraag ik u of jou eerst contact met mij op te nemen. Het verkorten of anderszins aanpassen van preken is in geen geval toegestaan. 
 
 
VANAF NU ZIJN MIJN PREKEN TE VINDEN OP HTTP://TERPSTRAOPURK.PUNT.NL
 
Contact met mij is mogelijk. U of jij kunt me mailen.
 
reacties 4 | bewerk | verstuur | kopieer | bekeken x 2127

Wil je mijn visitekaartje?

Genesis 6: 1 - 9
Genesis 6: 1- 9 | 01 Maart 2011 | 10:35:10

Gemeente,     

 

 

Bijbelverzen waarin godenzonen trouwen met mensendochters. Waarin reuzen op het toneel verschijnen. Ze maken de Bijbel er niet geloofwaardiger op. Ze zouden sommige mensen kunnen bevestigen in hun mening dat de Bijbel helemaal niet aards is. Maar een sprookjesboek! Een boek dat je niet in, maar juist buiten de realiteit plaatst! Laat je je leven nog laat leiden door een boek met dergelijke broodje-aap-verhalen? Dan ben je wel een beetje vreemd!           
Maar zo onwerkelijk is Genesis 6 niet! We worden niet buiten de realiteit geplaatst met die vreemde eerste verzen. Als in de rest van Genesis worden juist met onze neus op de feiten gedrukt! Op onze eigen feiten! Want in de maatschappij van Noachs dagen herkennen we de onze. Toen werd het Woord van God uitgedragen. Dat gebeurt nu nog. Toen werd er onverschillig gereageerd. Met verwoestende gevolgen. Hoe wordt er vandaag op de prediking van het Woord gereageerd? Door u? Door jou? We zien dat Noach het in die godloze samenleving volhield. Hoe dan? En hoe houden kinderen van God het vandaag de dag vol in onze maatschappij?           
Zo beschouwd, leveren de eerste negen verzen van Genesis 6 heel spannende vragen op. Daarover denken we na door ons te richten op de figuur van

 

 

Noach
 1: De samenleving waarin hij verkeerde   2: De samenleving waarin hij preekte   3: De samenleving waarin hij schitterde

 

 

Ten eerste: De samenleving waarin hij verkeerde. Kunt u zich nog herinneren dat we de eerste belofte uit de Bijbel ook hebben besproken? Die lezen we in Genesis 3: 15. Adam en Eva hebben toegegeven aan de leugens van de slang. Zowel de slang als de mensen ontlopen hun oordeel niet. Maar temidden van de gebrokenheid door de zonde klinkt voor het eerst het Evangelie. Een Evangelie over vijandschap tussen de slang en de vrouw. Vijandschap ook tussen de nakomelingen van de slang en die van vrouw. En uiteindelijk zal de grote Nakomeling van de vrouw de kop van de slang vermorzelen! Voor ons is van belang dat er twee soorten mensen tegenover elkaar komen te staan. Het slangenzaad en het vrouwenzaad. Aan de ene kant staan de krachtpatsers. Mensen die volop vertrouwen op hun eigen kunnen. Die van God en van Zijn genade niet willen weten. Die daarom tegen Hem de vuist ballen. En Zijn kinderen haten. Aan de andere kant heb je dus die kinderen van God. Mensen die in de ogen van de wereld niet veel voorstellen. Zwakkelingen. Mensen die het bij uitstek moeten hebben van de HERE en van Zijn genade. Beide soorten mensen krijgen concrete namen en gezichten. Kaïn de moordenaar komt tegenover Abel het zuchtje te staan. De geweldenaar Lamech tegenover Henoch die nederig wandelt met Zijn God. Dat is vijandschap tegen Gods kinderen.           
Maar met die vijandschap is meer aan de hand. Er staat in vers 15 immners: ‘En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad.’ Die vijandschap wordt dus ook doelbewust door de HERE veroorzaakt. De HERE verklaart slangenzaad en vrouwenzaad tot vijanden. Daarmee brengt hij een scheiding aan tussen beide. Een diepe kloof. Die het vrouwenzaad niet mag oversteken. De Abels, de Seths en de Henochs, de kinderen van God: ze hebben bij vijanden van God en Zijn genade uit de buurt te blijven. Er mag geen vermenging optreden. Anders dreigen de kinderen van God ten onder te gaan. Waardoor? Door vermenging. Vermenging betekent namelijk verwatering. Kleurverlies. Wat zijn kleur verliest wordt grijs of bleek. Wat grijs of bleek is geworden, onderscheidt zich niet meer. God wil niet dat Zijn kinderen die weg zullen opgaan. Hij wil Zijn gemeente bewaren. Vandaar dat Hij vijandschap zet!           
O ja, denk je nu, ik weet al welke kant de preek opgaat. We moeten natuurlijk weer radicaal achter God aan gaan. Anders leven dan de andere mensen, enzovoort. Het type preek dat we onderhand al honderd keer gehoord hebben. Het type preek dat ook vaak verzet oproept. Ik wil niet alleen maar ‘heilig’ zijn, ik wil ook léven, genieten van het leven. En vooral: moet ik anders leven en daarmee ook beter leven dan anderen? Wie ben ik dat ik beter zou zijn dan anderen? Vervallen christenen niet snel in hoogmoed? Wordt hoogmoed christenen inderdaad niet vaak verweten?           
In de praktijk is dat verwijt vaak terecht. Maar ten diepste klopt het niet! Je weet je als Gods kind niet beter dan anderen. Je weet je afhankelijk. Van God en Zijn genade, zoals we zagen Je vraagt daarom: Wat wilt U dat ik doen zal? En dan zegt Vader: Ik wil dat je dicht bij Mij blijft. Hoe verder je van Mij afgaat, hoe meer je de vijandschap opgeeft, hoe moeilijker het wordt kind van God te zijn! Daarom: leef gerust in de wereld. Geniet in de wereld. Bid vooral voor de wereld. Maar word niet ván de wereld!           
Aanvankelijk gaat dat goed. Het slangenzaad kraait oproer. Lamech bralt dat hij een nog veel ergere geweldenaar is dan zijn voorvader Kaïn! Gods kinderen hebben het daardoor niet gemakkelijk. Maar temidden van dat alles blijven zij Hem en de dienst aan Hem toch trouw. Want juist in die tijd vol beginnen zij ‘de naam des HEREN’ aan te roepen! De openbare erediensten beginnen! Waar het geweld tegen God en Zijn genade toeneemt, groeit ook de dienst aan God! Tegen de verdrukking in! God dank: er zijn kinderen van God, er is een kerk die trouw blijft! Die de scheiding die God Zelf heeft aangebracht, de vijandschap door Hem gezet, in acht neemt.           
Maar in Genesis 6 gaat het mis. Daar horen we over de ‘zonen Gods’. Dat zijn kinderen van Hem, nakomelingen van Seth, vrouwenzaad dus. We horen ook over ‘de dochters der mensen’. Zij stammen uit het slangenzaad, nakomelingen van Kaïn, vijanden dus van God en Zijn genade. Wat doen die zonen van God nu? Zij nemen zich vrouwen uit die dochters van de mensen, ‘wie zij maar verkozen.’ Dat is erg: ‘wie zij maar verkozen.’ Want dat houdt in dat deze kinderen van God niet meer vragen naar God en Zijn wil. Ze zoeken het zelf wel uit! Het leven van God en Zijn genade geven ze op! Ze zagen de poten door van de stoel waarop ze zitten!
 Daardoor en daarmee geven ze ook de vijandschap op die God gesteld had. God had gezegd: ‘Vermeng je niet met wie van God en Zijn genade niet wil weten! Blijf jezelf!’ Maar de kinderen van God trouwen met de dochters van de mensen. Vermenging volop. Niemand die zich nog iets van vijandschap, van een scheiding aantrekt.
 Is er iets tegen op een relatie of huwelijk met iemand die niet gelooft? Als je maar van elkaar houdt toch! Hoewel… God verbond Adam en Eva anders wel aan elkaar om sámen Hem te dienen. Mét iemand die niet gelooft de HERE dienen? Hoe zie je dat voor je? Vraag jezelf af: ben ik niet bezig de door God aangebracht kloof uit het oog te verliezen, de door Hem gestelde vijandschap? Raak ik daardoor niet verder bij de HERE vandaan? Als ik straks altijd op eigen kracht, zonder die ander, de geloofskar in huis moet trekken… Velen met een niet-gelovige partner groeien inderdaad bij de HERE vandaan.
 In ieder geval: de vermenging treedt in Genesis 6 op. De kinderen van God geven de vijandschap op. Zij, de gemeente lost daardoor op in de maatschappij. Het lijkt alsof alleen reuzen overblijven: geweldenaars. Van God en Zijn genade moeten ze niet weten. Hoe reageert de HERE op deze verwording van Zijn kinderen en van Zijn gemeente?             

 

 

Noach: De samenleving waarin hij verkeerde (1), De samenleving waarin hij preekte (2).           
Wat zien we dus in Genesis 6? Een gewelddadige samenleving. Vol geweld tegen God, Zijn genade en Zijn kinderen. En de situatie wordt alleen maar erger doordat Gods kinderen opgaan in hun omgeving! Nogmaals de vraag: hoe reageert God?           
Gods eerste reactie zien we in vers 3: ‘Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven nu zij zich misgaan hebben; hij is vlees, zijn dagen zullen honderdtwintig jaar zijn.’ Sommige mensen leggen deze tekst zo uit dat God de levensduur van de mens inperkt tot maximaal 120 jaar. Maar dat klopt niet. Abraham wordt bijvoorbeeld nog gerust 175 jaar. De HERE bedoelt iets anders. Hij stelt een ultimatum. De mensheid als geheel krijgt nog 175 jaar om zich te bekeren. Daarna zal God Zijn Geest Die de levensadem is, terugtrekken. Maar eerst geeft de HERE nog tijd van genade. Aan een wereld vol geweld en aan een verwaterde kerk. Tijd om nog tot inkeer, tot bekering te komen.           
Maar hoe komen de mensen te weten dat het nog genadetijd is? Dat zal hun toch gezegd moeten worden! Er zal toch iemand in de naam van de HERE moeten oproepen tot geloof en tot bekering! Wat heb je aan een boodschap over gelegenheid tot inkeer als er geen boodschapper is! Wel, de boodschapper is er en wordt eropuit gezonden! Wie dan? Noach! Noach? Waar lezen we dan dat hij het Evangelie over Gods genadetijd aan de mensen brengt? Toch zeker niet in Genesis! Nee, dat klopt. Het is Petrus die in zijn tweede brief (2: 5) Noach ‘de prediker der gerechtigheid’ noemt. Ofwel: de prediker die oproept de rechte weg te gaan, de weg met God. In een tijd waarin velen die weg niet meer gaan is dat een oproep tot geloof en tot bekering. Bekering, nu het nog kan. Hoe Noach die boodschap gebracht heeft? Al timmerende aan zijn ark. Maar ik denk voorafgaand daaraan en tijdens die bouw ook gewoon met woorden. Hoe is ook niet van belang. De boodschap werd gebracht!           
Aan het begin van de preek zei ik het al: de samenleving van Noach is de onze. Een samenleving die met God en Zijn genade niet veel meer op heeft. Een samenleving waarin christenen het moeilijk hebben zichzelf te blijven. Niet te verwateren. De HERE behandelt onze samenleving hetzelfde als die in de dagen van Noach. Hij geeft dus nog tijd van genade. Er is nog een mogelijkheid tot inkeer te komen. Voor iemand die van God en Zijn genade nooit heeft afgeweten. Maar ook voor een verwaterde en verwereldlijkte christen. Misschien hoort u wel eerder thuis in de tweede dan in de eerste categorie. Om over te brengen dat het nog genadetijd is, gaan er ook nu ‘predikers der gerechtigheid’ uit. Ze verkondigen het Evangelie, met bevel tot geloof en bekering. Ik ben, in alle bescheidenheid, zo’n prediker. Ik mag u het Evangelie brengen. Door geloof in Jezus Christus is er nog een mogelijkheid tot nieuw begin! Ik moet u ook duidelijk maken dat die boodschap niet vrijblijvend is. God heeft recht op uw bekering en u hebt er alle belang bij! Vandaar dat de Dordtse Leerregels spreken over de verkondiging van het Evangelie met bevel van geloof en bekering. Daarom zeg ook ik u vanochtend: haast u! Haast u om u te bekeren. Neem Jezus Christus aan nu het nog kan! Of blaas het stof van uw geloofsleven en roep de verwatering of verwereldlijking een halt toe!           
Maar er is nog een tweede manier waarop God reageert. De 120 jaar, de genadetijd, loopt namelijk ten einde. En er is geen bekering ingetreden. De mensen zijn onverschillig gebleven op de prediking van Noach. Zoals de Here Jezus Zelf zegt over de mensen in Noachs tijd: ‘zij aten, zij dronken, zij huwden, en zij werden ten huwelijk genomen’ (Luc. 10: 26 – 27). Alles gaat gewoon door en van Noach en diens woord trekt niemand zich iets aan. Laat maar praten.           
En weer ben je geneigd te zeggen: wat is er veranderd? In Nederland wordt nog volop het Evangelie uitgedragen. Maar wie luistert? Wie komt tot bekering? Keren christenen zich af van hun lauwheid?           
Op die onbekeerlijkheid reageert God met berouw. We lezen in vers 6 dat ‘het de HERE berouwde dat Hij de mens op aarde gemaakt had.’ Wat? Gód Die berouw heeft? Is God zo veranderlijk en wispelturig? God is toch niet als wij? Wij kunnen ons op moment a stellig iets voor nemen te doen. Om op moment b onze plannen toch maar weer om te gooien. Soms moeten we. Soms komt het ons beter uit. Eigenbelang. Handelt God zo menselijk?           
Nee, zo doet Hij niet! De mensen: zíj veranderen! Waar we geschapen waren om God groot te maken door dicht bij Hem te leven, veranderden wíj. Door ons in Adam af te keren van deze God en Zijn genade. Door te verslappen in Zijn dienst. De verandering is aan ónze kant! In Noachs dagen. En zo is het nog! Na veel genadig geduld van Zijn kant staat er uiteindelijk dat God berouw heeft. In feite doet God niets anders dan inspelen op de veranderde omstandigheden. Veranderd door toedoen van ménsen! Hij blijft Dezelfde. Trouw blijft Hij. Trouw aan Zijn bedoeling met de wereld. Die vernietigt Hij straks niet. Maar in de zondvloed veegt Hij die schoon. Voor een herstart!           
Dat Hij trouw blijft, is mijn redding. Ik zink op eigen gelegenheid weg in het drijfzand van mijn wispelturigheid. U en jij ook. Klem u daarom vast aan de God Die onveranderlijk Dezelfde blijft! Bouw niet op het drijfzand van uw eigen leven! Bouw op Hem! 

 

 

Noach: De samenleving waarin hij verkeerde (1), De samenleving waarin hij preekte (2), De samenleving waarin hij behouden bleef (3).           
Hoe is het gesteld op de aarde? Niet best. Het is als beschreven in Psalm 14: ‘De HERE ziet neder uit de hemel op de mensenkinderen, om te zien of er één verstandig is, één, die God zoekt.’ De onthutsende conclusie in dezelfde Psalm is deze: ‘Allen zijn afgeweken, tezamen ontaard; er is niemand die goed doet, zelfs niet één.’ Die conclusie is bijna helemaal ook toe te passen op de situatie van Noachs dagen. Bijna, maar toch niet helemaal. Want in zijn dagen is Noach die ene die niet is afgeweken en niet ontaard, die wel goed doet. Dat is natuurlijk prachtig! Een klein lichtpuntje in het diepe donker van die tijd!
 Maar wat is nu het geheim van Noach? Waardoor blijft hij staande terwijl niemand anders staande blijft? En hoe kunnen u en ik als kinderen van God staande blijven in onze tijd? Wat kan mij weerhouden van ongeloof tegenover God en Zijn genade? Wat weerhoudt mij van verwereldlijking en verwatering van mijn christenzijn? Wat behoedt mij of u voor onbekeerlijkheid als Gods Woord tot ons komt met bevel van geloof en bekering?            Je zou even de indruk kunnen krijgen dat Noach een soort supergelovige is. Hij wordt immers getypeerd als ‘een rechtvaardig en onberispelijk man’ (vers 9). Rechtvaardig wil zeggen dat Noach trouw is aan God en Zijn geboden. Zou iemand hem aanklagen op overtreding van een van Gods leefregels dan zou die aanklacht gegarandeerd ongegrond zijn. Noach is zuiver op de graat. Zo zuiver, dat hij zo gaaf is als een offerdier dat onberispelijk moest zijn wilde het als offer kunnen worden opgedragen.           
Een geloofsgigant dus, die Noach! Nu, zo’n goeie ben ik niet, hoor ik u denken bij uzelf. Als u eens wist wat er bij mij allemaal aan mankeert! Nee, die Noach is een ideaal dat ik toch nooit bereiken kan!           
Ik kan u gerust stellen: Noach is geen supergelovige. Vers 9 betekent niet meer dan dat Noach niet meeging in de grove zonden van zijn tijd. Maar lees vooral vers 8 eens: ‘Maar Noach vond genade in de ogen des HEREN.’ Genade: Noach behoort tot het geslacht van Abel en Seth. Tot het vrouwenzaad ofwel tot de kinderen van God die het moeten hebben van genade alleen. Dat wil zeggen: van onverdiende liefde alleen. God heeft van eeuwigheid af deze Noach in liefde op het oog. Heeft hem in Christus verkoren. Houdt hem daarom in de tijd door Zijn kracht staande. Dát is het geheim, die genade is het geheim achter het staande blijven van Noach! Niet zijn eigen geloofsprestaties!           
Er is maar één ding dat ook u en jou staande kan houden in het strijdperk van dit leven. Staande tegenover afval, verwatering en onbekeerlijkheid op de prediking. Dat is diezelfde verkiezende genade van God. Dat is diezelfde onverdiende liefde van Gods kant. Daarom durf ik u oproepen: bouw niet op eigen kracht! Wees als een Noach! Leef van die genade alleen!

 

 

Amen

 

reageer | bewerk | verstuur | kopieer | bekeken x 170


Zondag 40 HC
Zo. 40 | 01 Maart 2011 | 10:17:21

Geliefde gemeente,

 

 

Als u van hier richting Lemmer rijdt, moet u door een stijle bocht. Daar geldt een snelheidsbeperking: slechts zeventig kilometer per uur. Als extra stimulans om je aan die snelheid te houden staat er een tweede bord. Dat licht op bij een hogere snelheid: ‘U rijdt te snel.’ Maar het bord flikkert op bij bijna elke passerende auto. Zo weinig mensen houden zich aan de snelheidsbeperking. De beide borden lijken er wel helemaal voor niets te staan.
 Het zesde gebod lijkt wel een beetje op een verkeersbord. De regel die de HERE met dit gebod instelt, is duidelijk: Gij zult niet doodslaan. Met andere woorden: je zult niemand, buiten het recht om, doden. Maar de auto’s sjezen ongehinderd aan dit bord voorbij. Talloos zijn de onschuldige slachtoffers in oorlogen. Eindeloos is de rij doden door terroristische aanslagen. Schier niet te tellen is het aantal dodelijke ongelukken in het verkeer. We kunnen de slachtoffers van familiedrama’s bijna niet meer noemen. Dit zesde gebod is in deze wereld bijna even nutteloos als dat oplichtende bord op de A6. Zouden we het bij de bespreking van de Catechismus daarom niet beter kunnen overslaan? De wereld verandert toch niet vab het zesde gebod, laat staan van een preek daarover!            Toch heeft de HERE dit gebod laten optekenen. In een wereld die ook al gewelddadig was. Gelukkig maar! Dat zesde gebod geeft er blijk van dat de HERE Zich met een wereld vol dodelijk geweld wil blijven bemoeien! Was dit gebod er niet geweest, dan was het geweest aslof de HERE had gezegd: ‘Laat die wereld vol dood en verderf ook maar!’ Nu blijkt Hij juist voor zo’n wereld een woord te hebben! Daarom wordt het tijd dat zesde gebod te overdenken. We doen dat onder de kop:

 

 

Gij zult niet doodslaan.
 Dit gebod wijst ons
 1: de Rechter    2: de Redder    3: de richting

 

 

Gij zult niet doodslaan. Dit gebod wijst ons 1: de Rechter.            
De meeste geboden kunnen we vrij eenvoudig op onszelf betrekken. Geen andere goden: we maken allemaal wel eens iets of iemand tot afgod in ons leven. Gods naam zinloos gebruiken: vloeken is wijdverbreid. Je vader en moeder en andere gezagdsdragers eren: wie houdt zich altijd stipt aan de wet, aan snelheidsbeperkingen? Geen vals getuigenis spreken: is er hier iemand die nooit gelogen of geroddeld heeft?
 Maar doodslag? Wie van ons is er nu schuldig aan doodslag? Dit gebod heeft u en mij toch zeker niets te zeggen? We kunnen hoofdschuddend en zelfs met afgrijzen de berichten over doodslag in de krant lezen. We denken: het zal je kind maar wezen die zoiets doet! Maar míjn kind is het niet die zich aan zoiets schuldig maakt. Laat staan ikzelf!           
We kunnen het verbod op doodslag ook betrekken op euthanasie of abortus. Over die praktijken kunnen we fel verontwaardigd zijn. We kunnen er zelfs tegen demonstreren! En met instemming luisteren naar goed degelijke preken die tegen dit afgrijzelijke kwaad waarschuwen. Terwijl we denken: met die praktijken heb ik gelukkig niets te maken; welk gebod ik ook tegen me heb, het zesde in elk geval niet!            
In de dagen van de Here Jezus was het niet anders. Toen dachten mensen ook al: dat zesde gebod? Over wie het ook gaat, niet over mij. De wetgeleerden hadden het zelfs zover gebracht, dat het zesde gebod praktisch nooit gold. Er was bijna geen moordenaar te vervolgen. Zo moest worden aangetoond dat de moodernaar vooraf gewaarschuwd was. Ook moest vaststaan dat de dood het directe gevolg van de daad was. Had de dader voor zijn daad bijvoorbeeld een slang of hond gebruikt dan ging hij vrijuit. De dood moest ook nog eens veroorzaakt zijn door een voorwerp dat voor doodslag geschikt was. Zo waren er nog meer regels bedacht. Regels, die maakten dat bijna niemand nog hoefde te denken: dat zesde gebod gaat over mij!           
Dus mensen uit Jezus’ dagen en onze tijd zijn in één opzicht één. Ze denken in beide situaties dat ze met het zesde gebod niet van doen hebben.           
Weet u wat van die denkwijze nu het gevaar is? Voor mensen van alle tijden? Ook voor u en mij? We zouden kunnen gaan denken dat het met u en mij nog wel meevalt. Dat wij van die slechte mensen nog niet zijn. Natuurlijk rijd ik wel eens door rood en ook vloeken we misschien zo nu en dan. Maar zo erg als al die doodslagers uit de krant of op tv ben ik gelukkig niet. Voor ik het weet, doe ik als die Farizeeër die bad: ‘O God, ik dank U, dat ik niet zó ben als de andere mensen, rovers, rechtvaardigen, echtbrekers, of ook als deze tollenaar’ (Lucas 18: 11). Dat wil zeggen dat ik, eer ik er erg in heb, doe alsof de HERE mij zo erg ook nog niet vindt. Voor ik het weet, zeg ik eigenlijk dat Hij mij wel aanvaarden moet. Dat mijn zaligheid op zijn minst een beetje afhangt van mijn niet eens zo slechte daden. Want een overtreder van het zesde gebod? Dat ben ik in elk geval niet! Ik bedoel dat u en ik zo graag aan zelfrechtvaardiging doen, dat het gevaar van geestelijke hoogmoed op de loer ligt.           
De Here Jezus moet van een dergelijke geestelijke zelfverheffing niets hebben. Jazeker, dat zesde gebod gaat ook over jou en u en mij! In plaats van het zesde gebod te minimaliseren en buiten werking te stellen radicaliseert de Here het! De Here voert een onderzoek uit in naam van Zijn hemelse Vader, de Rechter bij uitstek. Het onderzoek legt elke overtreding van het zesde geboed bloot. Het stopt niet voor de deur van schone schijn van zogenaamde gehoorzaamheid aan het zesde gebod. Maar het ontmaskert ook die ene liefdeloze uitspraak als doodslag. Het vonnis dat de Here in Gods naam vertolkt, is vervolgens trefzeker: ‘Wie tot zijn broeder zegt: Leeghoofd, zal vervallen aan de Hoge Raad, en wie zegt: Dwaas, zal vervallen aan het hellevuur.’           
Absurd, toch! Stelt u zich eens voor dat wat de Here hier zegt wettelijke praktijk zou worden! Geen rechtbank zou nog normaal kunnen functioneren! De gevangenissen zouden uitpuilen! Waarom blijft de Here Jezus niet wat realistischer? Hij komt met een dergelijke uitspraak buiten de werkelijkheid terecht!           
Laten we nu maar eerlijk zijn: er is iets anders aan de hand dan absurditeit van Jezus’ kant. Namelijk dit: we houden ons het zesde gebod graag van het lijf! We proberen het vonnis van de Rechter te ontlopen. Maar Christus legt de doodslag in uw en mijn woorden bloot. En daarmee de doodslag in de gedachten achter die woorden: ik ben beter dan die ander, beter dan die ander die mij pijn heeft gedaan, aan wie ik daarom terecht een hekel heb, die ik daarom met recht en reden soms wel kan… En zo gaan onze gedachten van kwaad tot erger. Voor ik het weet is het welgemeende ‘Dwaas!’ van mijn lippen gerold. En waar harde woorden vallen, kunnen op zeker moment ook doden gaan vallen. De Here legt de vinger op de wortel van de doodslag, hart en woorden, voordat de wortel alles overwoekert! De Catechismus spreekt de Here feilloos na: niet alleen de daad, maar ook woord en gedachte daarachter. Luister maar: ‘God, verbiedende de doodslag, leert ons, dat Hij de wortel des doodslags, als nijd, haat, toorn en wraakgierigheid, haat en zulks alles voor een doodslag houdt.’ Aldus het vonnis van de Rechter.           
Weet u het nog steeds zo zeker, dat u niets met doodslag te maken hebt? Christus wil in het doorgeven van het vonnis van Zijn Vader de hoogmoed van mijn en uw hart ontmaskeren. De dodelijke hoogmoed. Dat gebeurt, waar de Heilige Geest Zich aan dit vonnis paart en mijn of uw hart ervoor opent. Zo wil Hij mij en u op de knieën brengen. En de Rechter om genade leren smeken, waarnaar wij allen onderweg zijn.

 

 

Gij zult niet doodslaan. Dit gebod wijst ons 1: de Rechter, 2: de Redder.           
Het is goed dat u en ik leren het zesde gebod op onszelf te betrekken. Tegelijk kan er een gevoel van beklemming optreden: help! Als zelfs een enkel ondoordacht woord ertoe doet… Dat gevoel van beklemming kan u en jou nog sterker bekruipen bij het verder lezen. De Here Jezus heeft het namelijk ook nog over een daadwerkelijke gang naar de rechter. En wel in het geval van een onverzoenlijk conflict. Er zijn wellicht al vele harde woorden gevallen. Om over de achterliggende gedachten nog maar te zwijgen! Weet u nog wat ik net zei over de wortel van de doodslag?! De Here zegt: haast je de doodslag achter je te laten, in werk én woord en gedachte! Verzoen je met die ander! Voor je het weet word jij schuldig verklaard en beland je voor altijd in het gevang! Het lijkt wel alsof u en jij met een dreigement tot verzoening in plaats van de doodslag worden aangezet. Daarmee komt een donkere, dreigende schaduw over dit gedeelte te hangen. Wellicht zouden we de Bijbel nu liever sluiten. Er wordt weer eens hel en verdoemenis gepreekt!           
Maar ineens schiet me iets te binnen. Een herinnering aan een verhaal dat de Here Jezus bij een andere gelegenheid vertelt. Een verhaal waarin het ook gaat om een onaflosbare schuld en een gevangenis. Ook nu is er sprake van twee partijen die een onderling een probleem hebben. Een afbetalingsprobleem van de een naar de ander. En er is ook nu een derde. Geen rechter, maar een koning. Beiden zijn in dienst van hem. Een van hen heeft bovendien een ontbetaalbaar hoge schuld bij deze koning. De koning wil afrekening houden. De slaaf kan niet betalen. Hij dreigt gevangen gezet te worden. En dat voor altijd, net als in Mattheus 5. De slaaf smeekt om genade. De slaaf krijgt die genade ook. Een onbetaalbaar hoge schuld wordt hem zomaar kwijtgescholden door de koning.           
Dat biedt hoop. Want naar die Rechter met een hoofdletter uit Mattheus 5 zijn we allen onderweg. En als de wortel van de doodslag zelfs in uw en mijn gedachten en woorden schuilgaat, kan u en mij slechts eeuwige gevangenisstraf wachten. Eeuwige verlorenheid. Maar stel nu eens dat die Rechter en die Koning uit Mattheus 18 Een en Dezelfde zijn! En dat is het geval! Dan is er nog een uitweg! Stel nu eens dat ik om genade smeek. Zou die Rechter, God, dan tot kwijtschelden bereid zijn? Jazeker!           
Wat houdt dat dan in? Ziet deze Rechter de schuld dan door de vingers? Doet Hij alsof die niet bestaat? Integendeel! Alleen legt Hij de straf op de schouders van een Ander. Jezus Christus is Degene die de straf heeft gedragen voor de doodslag en de wortel daarvan. Voor wie? Voor elk die ondekt is aan zijn eigen doodslag en daarom de Rechter om genade heeft leren smeken. Voor elk die zover is gekomen, is deze Redder er! Ook voor u? Jou?           
Maar waarom? Waarom gaat de Rechter, de HERE God Zelf, zover dat Hij Zijn eigen Zoon de straf laat dragen? Dat komt omdat Hij het leven liefheeft! En is dat nu zo vreemd? God is immers de Bron van het leven Die al wat leeft en ademhaalt het leven geeft! Het eerste hoofdstuk van de Bijbel vertelt al van Zijn vreugde om wat er leeft: ‘En God zag, dat het goed was.’ God houdt van het leven! Juist daarom geeft Hij het zesde gebod: om de wacht te betrekken bij het leven dat Hem zo lief is! Juist vanwege die liefde tot het leven stuurt de Vader Zijn Zoon in de wereld en laat Hem de straf vanwege de doodslag dragen. Opdat het menselijke leven, verdorven tot en met door de doodslag in haar wortel en uitvoering, niet verloren zou gaan. Opdat ú niet verloren zou gaan!           
Wat een wonder! De zending van de Vader brengt Jezus, de Zoon, in de wereld. En uiteindelijk in de Hof van Olijven. Het arrestatieteam nadert. De Here Jezus ziet Zich geconfronteerd met de doodslag. Nu nog in haar wortel, hoor het gejoel maar! Maar straks ook in haar uitvoering. De Here had Zelf tot doodslag kunnen overgaan. Volkomen gelegitimeerde doodslag. Maar in plaats daarvoor twaalf legioenen engelen van Zijn Vader te hulp te roepen, laat Hij Zich binden als een offerlam. Hij ondergaat vrijwillig de doodslag. Voor een doodslager als…ík?? Komt u daarvan onder de indruk? Zo is Hij, Die Rechter in de hemel die ook Redder blijkt te zijn. Geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid: zo is Hij allereerst zelf. De woorden die antwoord 107 verbindt aan de houding van een christen zijn allereerst op de Vader van toepassing!           
Hebt u daarvan iets begrepen voor uzelf? Uit pure genade? Dan leert u Gods verbod op de doodslag, ook in zijn wortel, bijvallen. Dat staat u dan op het hart gegrift. Dan leert u gewillig af te ‘haten, toornen en wraakgierig te zijn.’ Zulke gevoelens zijn misschien soms zeer goed te begrijpen. Maar als u de HERE als Redder hebt leren kennen mag u ook weten dat Hij de Rechter is. Hij heeft op Golgotha rechtgedaan. En zal eenmaal weer recht doen. Ook ten aanzien van het onrecht, u aangedaan!

 

 

 Gij zult niet doodslaan. Dit gebod wijst ons 1: de Rechter, 2: de Redder, 3: de richting.           
Er is wel eens opgemerkt dat Zondag 40 niet zo goed past in het derde deel van de Catechismus. Daarin gaat het immers over de dankbaarheid. Maar van dankbaarheid voor de verlossing lijkt in Zondag 40 weinig sprake. Zondag 40 gaat vooral om wat God verbiedt en gebiedt. Om verboden en regelgeving dus. En wat die twee nu precies met de dankbaarheid te maken hebben…           
Alles natuurlijk. We hebben net immers gezien dat je de Rechter die je eigenlijk zou moeten veroordelen vanwege je doodslag, in Christus je Redder wil zijn. Door de straf op Hem te leggen. Wel, als je daar door genade iets van hebt leren kennen, dan word je blij. Maar vooral dankbaar. En dankbaarheid zet zich vervolgens om in concrete woorden en daden. Om díe dankbaarheid gaat het de Catechismus in deel drie. En dus ook in Zondag 40. Ben ik God, mijn Redder, dankbaar dan wil mijn naaste liefhebben als mezelf. Dan wil ik jegens hem of haar geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen. Dan wil ik hem of haar zoveel mogelijk vrijwaren van schade en zelfs mijn vijanden liefhebben. Alles, om mijn dankbaarheid maar te bewijzen!           
Een hele opgave blijft het toch! Vooral als de Catechismus ook schrijft over het liefhebben van vijanden. Het lijkt wel alsof Zondag 40 het moeilijkste voor het slot heeft bewaard!           
Als u en ik wat die vijandsliefde betreft ons onvermogen voelen, moeten we een stap terug doen. Een stap terug naar het kruis. Aan de voet daarvan vinden we namelijk een geschenk. Christus heeft dat geschenk verdiend door Zijn dood. Voor elk die in Hem gelooft is het er. Het is het geschenk van de levendmakende Geest. Die Geest Die mijn koude hart levend en warm maakt, zelfs voor de hardste vijand, is het die mij in staat stelt tot wat ik niet voor mogelijk hield.           
Maar dan vervolgens ook echt aan de slag met die tweed helft van het Grote Gebod: uw naaste liefhebben als uzelf! Hoe? Waar en wanneer dan? Hoe voorkom ik dat deze preek tenslotte nog verzandt in algemeenheden?
 Het is de Here Jezus Zelf Die daarvoor behoedt. In Mattheus 5: 21 – 26 heeft Hij het namelijk over de omgang van broeders – en zusters- met elkaar binnen de gemeente van God. Binnen die gemeente van God staat het altaar. Daar vindt de dienst van de verzoening plaats. Daarom wordt in die gemeente Gods van genade geleefd. Maar laat er dan in die gemeente ook uít die genade worden geleefd! Dat zou wat zijn: wel van de vergeving door verzoening en voldoening mogen leven, maar daar zelf niets van laten blijken in de omgang met je broeder! Je daarin laten leiden door wrok, haat, door…de wortel van de doodslag. Zeker is het erg, ja bijna heiligschennend om een offer af te breken. Maar dat is nog altijd beter dan deelnemen aan de dienst van de verzoening terwijl je weet dat een broeder nog iets tegen je heeft. Iets dat jij uit de weg kunt ruimen!
 Zo zei de Here Jezus het toen. Zo geldt het nu nog steeds. In de gemeente staat de bediening van de verzoening centraal. Elke zondag klinkt vanaf de preekstoel: laat u met God verzoenen! Aan de tafel wordt gevierd: ik bén met God verzoend! Maar wat stelt mijn gang naar de tafel voor als ik weet dat een zuster of broeder iets tegen mij heeft, misschien wel terecht? Voordat ik het weet staat de wortel van de doodslag tussen hem en mij in. Maar dan staat die ook tussen mij en de HERE in. U, jij, ik: we kunnen niet op zondag de dienst van de verzoening vieren. Terwijl haat en wrok tussen u en die ander instaan, het beginsel van de doodslag. Dat moet uit de weg. Om vervangen te worden door liefde, geduld, vrede, zachtmoedigheid, al die andere dingen die Zondag 40 noemt. Onze geloofwaardigheid als gemeente hangt ervan af!
 Moeilijk is dat, he: je naaste liefhebben als dat een broeder of zuster is die naast je in de kerkbank zit. Waarvan je zoveel weet of denkt te weten. Waarvan je zoveel hebt ondervonden. Wat kan het er werelds aan toe gaan in de gemeente! Mijn broeder kan soms mijn vijand zijn!
Mijn vijand liefhebben kan dus inhouden: mijn broeder of zuster in de kerkbank liefhebben. Moeilijk? Een wedervraag: wat maakt mij meer of beter dan mijn broeder of zuster? Samen zijn we op weg en reis naar dezelfde Rechter. Samen zijn we afhankelijk van dezelfde genade van die Rechter, Die toch ook Redder blijkt te zijn! Zo elkaar in de gemeente liefhebben laat de wereld zien dat de doodslag het laatste woord niet hoeft te hebben! Zo is er hoop voor de wereld!

 

 

Amen

 

reageer | bewerk | verstuur | kopieer | bekeken x 130


Home   weblog sinds: 2006-08-27

Ontwikkeld door punt.nl en gehost door mijndomein.nl. Problemen met de inhoud van deze log? Klik hier.